Historiek Rommeshoef

Sedert Tongerlo grondheer van Essen-Kalmthout geworden was, heeft de abdij zich terdege ingezet voor de ontginning en de vruchtbaarmaking van de streek. Land- en bosbouw, moeruitbating en bestuur werden krachtig ter hand genomen. Weldra verschenen de eerste abdijhoeven, die golden als modelhoeven, waar de nieuwste gewassen, werktuigen en methodes van landbouw en veeteelt werden gedemonstreerd. Klaver, boekweit, koolzaad, aardappel en den werden ingevoerd. In 1371 telde de heerlijkheid 275 inwoners en 1960 anno 1582. Het jaar daarop was het de grote catastrofe: alles werd platgebrand eerst door de Fransen, dan door de Spanjaarden. Essen-Kalmthout telde 0 inwoners! Pas tegen het einde van de eeuw was er van enige heropleving spraak. Van heinde en verre kwamen inwijkelingen binnenstromen, alle handen waren welkom. Ondanks oorlog, pest en schrikbarende belastingen moest het leven verder.

 

In 1666 begon Tongerlo naast de Vredenberghoeve (thans verdwenen) nog een tweede ontginning op Spilbeek. Twee jaar reeds was er koren en koolzaad gezaaid, nog waren de gebouwen niet helemaal af, toen op 20 januari 1668 het eerste huurcontract van de conventshoeve werd gesloten met het jonge echtpaar Willem Huibrecht van Pul en Elisabeth Hendriks uit Nieuwmoer tegen 125 gd jaarlijks. Zijn oude moeder die mede borg stond, kon slechts met bevende hand een kruisje zetten. In 1681 mat de bebouwde oppervlakte 23 gemeet (bijna 10 ha), een eeuw later meer dan 22 ha.

 Rommeshoef oud

Rommeshoef oud

Op Hemelvaartsdag 23 mei 1686 werd er een manslag gepleegd op de Rouwmoershoeve. Pachter Hendrik Ant. Coppens nam deel aan de schuttersfeesten op de Heuvel. Zijn vrouw was thuis gebleven met de kinderen, knechten en moerarbeiders. Om een ons onbekende reden raakte Antoni Hendr. van Oosterbosch uit Rukfen slaags met Jacob Jans. van Oirschot uit Sprundel. De eerste werd met een zware knuppel de schedel ingeslagen, waaraan hij ‘s anderendaags bezweek.

 

Coppens en zijn drie volwassen zonen bleken evenmin afkerig van gewelddaden, zodra zij de nodige pinten uit hadden. In de zomer van 1705 kwam het herhaaldelijk tot ernstige mishandelingen van herbergklanten op de Heuvel. Op 28 juli 1707 bracht de oudste zoon Jan in een zatte bui Geraart Jans. van Turnhout uit de Schelpheuvel een dodelijke messteek toe. Meteen zegde Tongerlo de huur op.

 

Vier generaties Van Loon bleven nagenoeg een eeuw op de hoeve. De weduwe van de stamvader hertrouwde tweemaal, de laatste keer met stadhouder Cornelis Adr. Mutsaerts, die de schout bij afwezigheid verving. De jaren kwamen en gingen met hun blijde en droeve dagen. Op de kaart van Ferraris, de eerste stafkaart van onze gewesten, prijkt het Dispensiershof als een eenzame vesting aan alle kanten door heide omgeven. In 1788 bouwde Jan van Loon een grote schuur en vier jaar later een schaapskooi.

Plattegrond

Plattegrond

De Franse Revolutie kwam als een storm over het land. In naam van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid werden alle kerkelijke goederen door de republiek aangeslagen en openbaar verkocht. Op 12 december 1797 kwam landmeter Gust van Dooren in opdracht gedurende drie dagen de gronden en de gebouwen van de hoeve opmeten. Vijf Essense abdijhoeven stonden op de affiche van de 36e verkoop van Nationale Goederen: Voetsberg, Vredenberg, Wildert, Rouwmoer en Priesterdonk. De definitieve toewijzing zou doorgaan op 19 nivose de l’an VI (8 januari 1798) in het voormalig bisschoppelijk paleis op de Schoenmarkt te Antwerpen.

Aankondiging

Aankondiging

Dertien kandidaten – in hoofdzaak Fransen – namen het tegen elkaar op. Etienne Poncy, administrateur van het Département des Deux Nethes, werd eigenaar van het hele lot tegen 251.200 pond, waarvan 60.100 voor de Rouwmoer. Hij mocht betalen met assignaten! De 20e september daarop verkocht hij de vijf hoeven tegen 2000 zilvergulden aan de gebroeders Peter en Josse van den Nest. Hun vader, een rijk Antwerps koopman, had reeds een halve eeuw voordien veel eigendom verworven in Essen-Kalmthout. Terwijl veruit de meeste geestelijken de door de Fransen opgelegde eed weigerden af te leggen en meteen moesten onderduiken, waren beide priesters op 6 februari 1798 in Gierle beëdigd en hadden die in april 1802 nog altijd niet herroepen. Zonder gewetensbezwaar verrijkten ze zich met zwartgoed in Essen, Antwerpen, Duffel en Lier.

Kadasterplan

Kadasterplan

Op 13 juli 1804 verkochten zij de vijf hoeven in blok tegen 12.000 gd aan Jaak Verschueren en Jan Baptist van Asbroeck. De eerste was brouwer en toekomstig burgemeester van Kalmthout, de ander was zijn schoonbroer en gewezen koster-schoolmeester van Essen. Beide vennoten, die ook al de Greef in Kalmthout hadden opgekocht, handelden als makelaars voor provisor Verberck aldaar. Na de opheffing van Tongerlo in 1796 trachtte hij zoveel mogelijk aangeslagen goederen in Essen-Kalmthout te kopen, in de hoop met zijn confraters te kunnen weerkeren naar zijn abdij. Dat heeft hij jammer niet meer beleefd. Met zeer in het hart verkocht hij de Rouwmoershoeve op 6 maart 1812 tegen 6540 FF of 3090 gd aan Peter van Agtmael. De oppervlakte bedroeg toen al 25 ha 46 a, dat was plots 3 ha 43 méér dan in 1804. Om de zaak te financieren, moest de nieuwe eigenaar evenwel een zware hypotheek afsluiten, die in 1821 werd overgenomen door notaris Frans Godts.

De naam Rouwmoer

Door een bul bevestigde paus Eugenius III in 1146 de schenking van de heerlijkheid Essen-Kalmthout-Huybergen aan de pas gestichte abdij van Tongerlo. Het dunbevolkte gebied bestond in hoofdzaak uit braakland, bossen en moerassen, heide en duinen. In deze schrale zandgrond bleken hout, moer en turf de natuurlijke rijkdom van de streek te zijn. Steenkool werd praktisch alleen door smeden gebruikt.

 

Moer of laagveen ontstaat op vlakten onder water door een opeen­hoping van afgestorven en deels verkoolde plantenresten. Mettertijd verheft het zich iets boven het grondwater: de verlanding van de plas is een feit. De zware, vettige, zwarte moer wordt diep uit de grond gedolven, glad gestreken, in blokken verdeeld en gedroogd. Plantenres­ten zijn nauwelijks te onderscheiden. Na verbranding bedraagt het percent as 10-30 %. Turf of hoogveen ontstaat door aangroei van veenmos op vochtige heideruggen boven een ondoordringbare onder­laag van leem of klei. Het goedje kan om de dertig jaar worden afge­stoken, het is sponsachtig bruin, licht en luchtig met duidelijk herken­bare plantenresten. Het percent as bedraagt ongeveer 5 %. Turf geeft minder warmte dan moer, maar brandt langer; beide geven meer rook dan vuur. In tegenstelling met moer is turf een goede water- en luchtgeleider en daarom zeer gegeerd in de tuinbouw. Uitgebreid betekent moer: veengrond in het algemeen.

 

Van de late middeleeuwen tot begin 19de eeuw vormden moer en turf nagenoeg de enige streekindustrie. Een heel kanalenstelsel met sluizen werd aangelegd om de brandstof met vletten (turfschuiten) naar Roosendaal en Bergen op Zoom te voeren en vandaar per schip naar Antwerpen. Vanuit het Nolseven vertrekt de Oude Moervaart noord­waarts en bakent nog altijd – zij het zeer vernauwd – westelijk het terrein af van de Rouwmoershoeve. In het Moerven neemt de Spillebeek het water over, loopt onder de Moerkantsebaan naar de grens, waar zij van naam verandert in de Zoom en uitmondt in Bergen op Zoom.

 

In de omgeving komen dozijnen moer-toponiemen voor : Moer-beemd, Moerbos, Moerland, Moerdijk, Moerput, Moerveld, Moerweide, Brouwersmoer, Begijnenmoer, Kartuizersmoer, Papenmoer, Gravenmoer, Huibergs Moer, Putse Moer, Spilbeekse Moer, Wouwse Moer, Moergestel, Moerstraten, Moerendaal, Hoge Moer, Witte Moer, Zwarte Moer enz. Een van de samenstellingen is ook Rouwmoer.Anno 1634 vinden we onder Rukfen ’46 bunderen 401 roeden raeuwen moer geleghen in de schijffsche moeren’ en in 1647 wordt ‘Cryntiens heyblock gelegen aenden rouwen moer’ verkocht onder Nieuwmoer. Rouwmoer onder Essen wordt al te vaak nog foutief gespeld als Rauwmoer. Rauw = ongekookt, ongebakken, onafgewerkt heeft niet veel zin bij moer. Rouw is een bijvorm van ruw, gelijk douw-duw, grouw-gruw, spouw-spuw, stouw-stuw. Het ruige, zompige terrein tussen het Moerven, de Moervaart en de Oude Moer moet wel bijzonder rouw geweest zijn : begroeid met zurkel, biezen, lis, buntgras, kreupelhout, grove hei, m.a.w. alles behalve mals gras. Moer en turf echter des te meer!

 

De Rouwmoershoeve kreeg in de loop der tijden een aantal uiteenlopende namen: Conventshoeve (1668), Spilbeekhoeve (1692), Celliershoeve (1711), Dispensiershoeve (1742), Mariahoeve (1907). De oudste vermelding is van de eerste lentedag 1765 in de doopacte van Jan van Loon, natus (geboren):

Parochie register

Parochie register

Achteraf zijn er wel een dertigtal varianten in omloop geweest o. m. Raubaer, Bounaer, Rouwenboer, Ramboer, Tamboer, Bouwmoer. Alleen te onthouden is de naamvervorming Rommeshoef, zoals die nog altijd in de volksmond voortleeft.

De familie Godts

Oorspronkelijk was in Kortenberg, tussen Leuven en Brussel, de naam Gorts; bij de verhuis naar Antwerpen werd het Godts. Frans werd er geboren in 1759, studeerde rechten aan de Leuvense Universiteit en werd tot notaris benoemd in 1786. Hij weigerde de eed aan de Fransen af te leggen, zodat hij werd geschorst, maar vergrootte intussen onverdroten zijn fortuin. Op 53 jaar verloor hij zijn hart aan een meisje van 27, met het gevolg dat ze hals over kop moesten trouwen en naar Brussel verhuizen, waar een maand later Urbaan, de oudste van vijf, werd geboren. Begin 1815 keerden ze terug naar Antwerpen. Na de val van Napoleon werd de notaris in zijn functie hersteld.

 

Op 17 mei 1824 verwierf hij de Rouwmoershoeve tegen amper 2700 gd. Om uit te rusten van zijn drukke praktijk wilde hij er een buitenverblijf van maken en liet daarom gelijkvloers twee kamers met pannendak tegen het hoofdgebouw optrekken. Die pastorale dromen verzwonden vlug, toen hij ondervond hoe lastig de reis met de koets was op onverharde wegen en vooral toen bleek dat er geen vers vlees op de hoeve te krijgen was, alleen spek, gepekeld varkensvlees en kip. Aanvoer uit Antwerpen zag er door het trage transport allesbehalve appetijtelijk uit. Na veertien dagen werd het experiment afgebroken. Onze notaris kwam er nooit meer terug. Door diverse uitbreidingen en aankopen vergrootte hij niettemin het domein zoals blijkt uit het eerste kadasterplan.

 

Zoon Urbaan was de man van twaalf stielen en dertien ongelukken. Om aan zijn schuldeisers te ontkomen moest hij in augustus 1843 uitwijken naar Rotterdam, maar twee maand later bezweek zijn 29-jarig vrouwtje er aan tyfus, drie kleintjes tussen vier jaar en tien maand achterlatend. De kinderen werden opgevangen door haar familie in Turnhout. Urbaan ging intussen zijn geluk beproeven in Frankrijk en Engeland. Zijn tweede zoon Frans werd te Antwerpen geboren in 1839. Na zijn lagere school in Turnhout werd de jongen door zijn vader voor een jaar naar Londen geroepen om Engels te leren. In 1852 begon hij de Grieks-Latijnse humaniora aan het O.L. Vrouwcollege van de Jezuïeten in Antwerpen. Na een preek van pater Schoofs over St.-Ignatius maakte de leerling zijn voornemen bekend jezuïet te worden. De predikant gaf hem de raad tot retorica te wachten eer een definitieve beslissing te nemen. Tijdens een vakantieverblijf in Turnhout hoorde Frans met veel lof spreken over de missie, die er pas door de Redemptoristen was gehouden.

Pastoor Frans

Pastoor Frans

Terug in Antwerpen ging hij aankloppen in het Hopland, waar de rector hem in het kort de leefwijze en spiritualiteit van de congregatie uiteenzette. De jongen was diep onder de indruk en weldra stond zijn besluit vast.

 

Vader stelde echter een energiek veto, beval Frans naar Londen te komen en dompelde hem in het societyleven. Een heel stel meisjes dongen naar de hand van de knappe en begaafde 19-jarige jongeman. Drie maand later moest vader, financieel gedwongen, zoonlief naar België laten terugkeren met het stelligste verbod naar het klooster te gaan. Nauwelijks was de boot in Antwerpen gemeerd of Frans snelde naar het Hopland, waar hij door de provinciaal werd ondervraagd. «Vader zal me niet uit het klooster halen, maar helemaal met mij breken. Het zal hard zijn. Maar verstoten door mijn vader, zal ik nog beter kunnen bidden: Onze Vader die in de hemelen zijt.» Op de vraag wanneer hij dan wenste in te treden, antwoordde hij : «Morgen vroeg!». ‘s Anderendaags 24 september 1858 vertrok Frans naar het noviciaat van St.-Truiden met vijf centiem op zak.

 

De nieuwe kloosterling bleek een schitterende aanwinst te zijn door zijn vroomheid, geleerdheid en bekwaamheid. Tekenend was zijn grote godsvrucht voor de Moeder Gods. Zijn staat van dienst is indrukwekkend. Dadelijk na zijn priesterstudies werd hij professor in de theologie, dan prefect van het studentaat en op 36 jaar rector van het huis in Roeselare. Zowel als predikant, conferencier en schrijver kreeg hij grote vermaardheid. De Kerk verdedigde hij door dik en dun. Hij had nogal de neiging tot extreme standpunten, die intussen al lang achterhaald of weerlegd zijn. Doordrijven was nu eenmaal zijn karakter.

 

In 1878 erfde tante Rosalie (Dame Elisabeth) de Rouwmoershoeve, die echter duidelijk in verval verkeerde. Het was van 1826 geleden dat de eigenaar nog ter plaatse was geweest. De laatste pachters hadden de boel laten verkommeren, de gebouwen waren verkrot, het onkruid tierde, de grond was uitgeput of lag braak, konijnen en fazanten waren meester van het terrein. In 1880 kwam pater Godts zich van de deerniswekkende toestand vergewissen. Meteen bood hij aan de provinciaal de grond aan om daar een studiehuis voor wijsbegeerte en godgeleerdheid te bouwen. Beauplateau in de Ardennen kreeg de voorkeur. Van 1881 tot 1886 stond de hoeve leeg, herhaaldelijk besloot men ze te verkopen. Gelukkig werd dat plan altijd op het laatste nippertje verhinderd.

 

Dame Elisabeth overleed eind 1903 en liet haar goederen aan haar neven-redemptoristen Frans en Willem en aan haar nicht. Toen Willem kort daarop stierf in de Canadese missie en alles vererfde aan zijn broer, verkochten ook tante en zuster Emerence hun aandeel, zodat pater Godts op 28 april 1904 het onverdeeld bezit kreeg van de Rouwmoershoeve. Op zijn 65e levensjaar begon hij geduldig maar met ongelooflijke energie zijn levensdroom te verwezenlijken.

De nieuwe eigenaar wilde ten allen prijze zijn oversten en confraters overtuigen van de ideale ligging voor een klooster of rusthuis. In zijn verbeelding zag hij reeds gebouwen, groen, park, bos, moestuin, vijvers, eenzaamheid, stilte. Zij bekeken het heel nuchter met andere ogen. Herhaalde verkenningstochten van de provinciaal en zijn consultoren hadden met allerlei domme tegenslagen af te rekenen zoals ongesteldheid, spoorwegongeval, vertraging, koud regenweer, verkeerde afspraken met de koetsier en verdolen in slijkerige wegen, met het gevolg dat de eerste indrukken allesbehalve gunstig uitvielen. Buiten de bebouwde gronden van de hoeve – waaraan niet zou worden geraakt – constateerden zij slechts een troosteloos landschap, kale hei, drassige grond, onmogelijke wegen, ongezonde lucht wegens de nabijheid van de Schelde (?) en de walm van een steenbakkerij vlak in de buurt. Reeds in 1880 had de pachter bezwaar aangetekend tegen de aantasting van het naaldbos door de schoorsteenrook, de fameuze zure regen. Merkwaardig dat toen al milieuhinder werd ingeroepen.

 

Zo ging anderhalf jaar voorbij. Op een ogenblik dacht de ontmoedigde pater er zelfs aan het hele domein aan de Scheutisten te schenken. Dat bracht hem op het idee er een herstellingsoord voor onze Kongo-missionarissen te bouwen. Op 14 oktober 1905 trok hij zijn stoute schoenen aan en vroeg de provinciaal of hij in Essen mocht bouwen wat hij wilde. Een nauwelijks hoorbaar «ja» was het enige antwoord. Meer had de dynamische man niet nodig en nog dezelfde dag schetste hij een ontwerp voor twee vleugels met één verdieping, ‘s Anderendaags al kwam architect Dhaeyer de zaak nader bespreken en was begin november met zijn plannen klaar. Op 10 november zetten ze ter plaatse het terrein uit en belastten aannemer Piet van Campen uit Wildert met het werk.

 

Wegens de vroege sneeuwval tien dagen later dienden de werken uitgesteld. Op 6 maart 1906 geschiedde zonder ceremonieel de eerste steenlegging. Een week later werd ook met de tuinaanleg begonnen. In acht jaar tijd werden niet minder dan 385.000 exemplaren van een 120 soorten bomen en heesters aangeplant, de bloemen niet meegerekend. «Doen voor groen» was voor die man geen loze leuze. De Rouwmoer zou pralen als een eiland in het groen. De hinderlijke steenbakkerij werd opgekocht en afgebroken.

 

Op 14 juni waren pater generaal en de Parijse provinciaal in Brussel te gast. De Belgische provinciaal vertelde terloops dat hij erg verveeld zat met de constructie in Essen, omdat niemand goed wist wat ermee aan te vangen. De Fransman liet horen dat hij maar al te graag dit huis zou aanvaarden voor zijn fraters-studenten, die ingevolge de kloosterwet-Combes in 1902 hadden moeten uitwijken naar Engeland, waar het leven zeer duur was. Na het diner werd pater Godts gepolst en deze was dadelijk enthousiast. Eindelijk vond zijn werk waardering. Alleen werd bij nadere kennismaking het gebouw nog te klein geacht. Eén woord was voldoende, onmiddellijk gaf hij order de westvleugel bij te bouwen en het geheel tot twee verdiepingen op te trekken.

Klooster 1907

Klooster 1907

In juli 1906 waren ook de plannen gereedgekomen voor de kerk, die aan de noordzijde het vierkant rond de binnentuin zou voltooien. Het bisdom gaf de nodige toelating, mits de kerk niet publiek zou zijn. Het was voor de Fransen toch onmogelijk de zondagsonderrichtingen in het Nederlands te houden. Maar gelijk pater Godts het pittig formuleerde: de tijd is hier beneden de eersteminister van de Koning der eeuwigheid; enige jaren later waren er officiële missen. Ondertussen gingen de werken aan klooster en tuin gestadig verder. Dank zij de vrijgevigheid van zijn familie kon pater Godts de kerk in aanbesteding toewijzen aan Adriaan Martens van Kalmthoutsehoek. Op 8 maart 1907 werd de eerste steen gelegd, een week later werd voor het eerst in het klooster de h. mis opgedragen. Tegelijkertijd werd ook de oude Rouwmoershoeve nieuw verbouwd.

De Fransen in Essen

Op 2 april 1907 arriveerden de eerste drie Franse confraters om er de werkzaamheden van dichtbij te volgen en de toenemende diefstallen te verhinderen. De 20e juni was de groep compleet: 38 paters, fraters en broeders. Zo goed en zo kwaad het ging werd het normale kloosterleven ingericht; er waren nog wat problemen met de voorziening van water en gaslicht.

De kerk in aanbouw

De kerk in aanbouw

Op 11 februari 1908 werd de toren feestelijk bevlagd : de ruwbouw van de kerk was voltooid. De houten torenspits ontbrak nog. Dan vatte pater Godts het plan op de toren te bekronen met een monumentaal beeld van het Eucharistisch Hart, patroon van de kerk. In die zin gaf hij opdracht aan de Antwerpse beeldhouwer Genard, wiens schoonvader 13 jaar tevoren een dergelijk Mariabeeld voor de Lievevrouwekerk van St.-Niklaas had vervaardigd. Op 18 mei wijding van de vijf klokken; een maand later, op Sacramentsdag, was de kerk bevloerd, geschilderd, voorlopig gemeubileerd en de brandramen geplaatst, zodat er de eerste plechtige mis kon gezongen worden, gevolgd door processie en rozenkransgebed voor een 300-tal aanwezigen.

 

Vrijdagmiddag 17 juli kwam het torenbeeld toe, het was de nacht tevoren met de wagen uit Antwerpen vertrokken. Naar «Le beau Dieu» van de kathedraal van Amiens was het holle houten beeld gemaakt en daarna met verguld koper beslagen. Binnenin bevinden zich op verschillende hoogten horizontale staven in stervorm met in het midden een verticale stalen as, die in het voetstuk werd bevestigd. Het beeld is 4,5 m hoog, het kruis 5,75 m en de dwarsbalk 1,75 m lang. De hoogte van het hoofd bedraagt 70, de gesloten kelk 60, de hostie 25 cm. Het hele gevaarte weegt 840 kg.

 

De architect stelde voor het langs binnen op te trekken, uit vrees anders beeld of gebouwen te beschadigen. Gust Geentjes uit Wildert nam de uitdaging aan het onbeschadigd langs buiten op te hijsen. Talrijke nieuwsgierigen stroomden toe voor dit unieke schouwspel. Boven de klokkenkamer werd een kaapstander geplaatst, die het hele gewicht moest torsen. De kabel gleed langs een enorme opstaande balk met katrol boven op de torenspits. Op een 30-tal m van het gebouw, in de huidige studententuin, stond een tweede lier opgesteld, om te beletten dat het beeld tijdens het ophalen ergens zou tegenaan stoten. Op het dak en in de torenramen stonden mannen klaar om de bevelen door te schreeuwen.

Ophijsen van het beeld

Ophijsen van het beeld

Iedereen houdt de adem in, wanneer het beeld van de grond loskomt. Dan blijkt er plots speling te zitten op de zware hijsbalk. Schietgebeden en krachttermen klinken dooreen, pater Godts laat paternosters bidden en kaarsen ontsteken voor de goede afloop. Eindelijk zijn de kabels weer voldoende aangespannen en kan het ophijsen heel traag en behoedzaam verdergaan. Tegen half acht ‘s avonds is het beeld boven; dan volgen weer spannende momenten om het in de goede richting neer te laten. Van op de top van de hijsbalk leidt een waaghals tot ieders opluchting de operatie met succes.’s Anderendaags werd het beeld definitief verankerd. Sindsdien heeft het weer en wind, ja zelfs een beschieting doorstaan. Het verguldsel is intussen echter grotendeels verdwenen. Vermits de top van het kruis zich op 66,24 m boven de zeespiegel bevindt en de drempel van de kerkpoort op 18,37 m, is de totale hoogte van de toren 47,87 m.

 

Op 24 juli 1908 kwam kardinaal Mercier de kerk consacreren. De avond tevoren was het telegram uit Rome binnengelopen, waarin paus Pius X toestond de kerk, als eerste in de wereld, toe te wijden aan het Eucharistisch Hart. Na de plechtigheid, die vijf uur duurde, mocht de klokkenjubel losbreken. De lunch voor bijna vijftig gasten was de gelegenheid om zowat iedereen in de bloempjes te zetten, ‘s avonds was er vuurwerk en grammofoonmuziek.

 

Het leven hernam zijn normale gang tot in oktober 1910 de Belgische oversten beslisten het college van het Eucharistisch Hart van St.-Truiden naar Essen over te brengen. Dat sloeg bij de Fransen in als een bom. Op 13 maart 1911 vertrokken de laatsten naar Valkenburg.

Na de inname van Parijs stoten de geallieerden bliksemsnel door tot Antwerpen, dat op 4 september 1944 wordt bevrijd. Aan het Albertkanaal houdt de Wehrmacht stand, de stroomvoorziening valt uit. Op 30 september bestoken Britse jachtbommenwerpers de kippenhokken in de kloostertuin, in de mening dat het militaire opslagplaatsen zijn. Twee confraters die toevallig in de nabijheid vertoeven, blijven als bij mirakel ongedeerd. Toch is er één slachtoffer te betreuren: een kip is de kop kwijt.

 

Langzaam rukken de Canadezen op in de richting van Putte, maar stuiten op hardnekkige tegenstand. Van 10 tot 23 oktober is de Rommeshoef een belegerde vesting. Voortdurend davert het geschut, duelleren jagers en luchtafweer en slaan granaten in. Panster eenheden zijn ingekwartierd en richten de kerktoren in als observatiepost. Na een nachtelijke aanval, waarbij Woensdrecht werd heroverd, worden vijf gesneuvelden vóór de kerk begraven (14 oktober): onder hen een jongen van 18, die tijdens het gevecht gekwetst onder een tank was gelegd, maar dan vergeten…

Met instemming van de boeren worden gewonde en gedode runderen op levensgevaar uit de weiden gesleept. Aan sommige stukken, die er wat verdacht uitzagen, deed een prachtige Duitse scheper zich te goed. Zei de soldaat-eigenaar : «Is hij morgen dood, dan gij van het vlees niet eten.» De volgende dag was het dier nog springlevend, zodat de vleesvoorraad verzekerd was. Op 17 oktober vertrekken de troepen.

 

‘s Anderendaags om 6 u ‘s morgens pijnlijke ontnuchtering : 300 Fallschirmjager van de Panzerdivision Hermann Goering eisen met veel kabaal onderdak, matrassen en hete stortbaden. Twee dagen later begint het bevrijdingsoffensief. Onder aanhoudend trommelvuur worden de soldaten in de kerk gebracht… om er een Bach-recital te beluisteren ! Men is een Kulturvolk of men is het niet. Plots een daverende explosie, een voltreffer op de toren door een Engels artillerieofficier vanuit Putte, zoals naderhand bleek. Onze mensen duiken hals over kop de kelder in, wat bij de Germanen de lachlust opwekt. Het concert gaat gewoon door. Dezelfde avond moeten ze verder.

‘s Nachts nemen de gevechten in hevigheid toe, meerdere granaatinslagen op het college. Op 21 oktober komen 45 oorlogsmoede soldaten met twee gekwetsten de kelder in en geven hun wapens af. Hun enige vrees geldt de Feldgendarmen en de SS, die alle deserteurs op staande voet terechtstellen. Daags daarop is het complex in een straal van 500 m omsingeld door de Canadese 4de Pantserdivisie, maar in en rond de tuin bieden mitrailleursnesten nog altijd verbeten verzet.

 

Er dreigt echter nog groter gevaar, de toren is met 150 kg Donarit ondermijnd. Twee zwaargewapende Fritzen naderen behoedzaam over de speelplaats en beklimmen de trappen met de opdracht de hele boel op te blazen. Gelukkig heeft een van de oorlogsmoede soldaten, dr. jur. B. Olesch uit Darmstadt, het tweetal bijtijds opgemerkt en dwingt ze van hun vernielingsplannen af te zien. Een van beide lonten was al ontstoken maar werd meteen onklaar gemaakt. De ramp voor de honderden vluchtelingen ware niet te overzien geweest. Het was wel op het laatste nippertje… De brave man vraagt de deuren te barricaderen om verdere pogingen te verijdelen.

 

Dan begint de Duitse artillerie de toren te bestoken met de bedoeling de aangebrachte lading alsnog te doen springen. Het is volop frontlinie met dreunende explosies en huilende granaten. Twee deserteurs bieden zich aan om een witte vlag naar de geallieerde linies te trekken. Dat wordt te roekeloos geacht. In hun plaats gaan pater Maris en mevr. Deripainsel, die vlot Engels spreekt. Na een zeer hachelijke sluiptocht van anderhalf uur bereiken ze de Canadezen. Die betrouwen het zaakje maar half en wachten liever nog een dag.

 

Eindelijk op maandag 23 oktober 1944 om 10.15 u slaat het uur der bevrijding, wanneer de eerste Canadese tanks verschijnen. De manschappen behandelen de krijgsgevangenen vrij brutaal. De vluchtelingen keren naar huis of wat daar nog van overblijft. Hier telt men 17 voltreffers, een niet ontplofte granaat in de fysica, ontelbare inslagen van scherven en kogels, vele deuren, ramen en vloeren zijn verpulverd, hopen puin, nagenoeg alle ruiten aan diggelen, de tuin in een slagveld herschapen, maar niemand raakte ook maar gewond.

Beschadigde toren

Beschadigde toren

Hoewel deerlijk toegetakeld, is van alle torens uit de omtrek alleen de onze overeind gebleven; de meest bedreigde galmgaten dienen gestut.

Stroom is er nog altijd niet, vliegende bommen des te meer. De 16de december breekt het Ardennenoffensief los; tegenover het Hotelleke wordt luchtafweer opgesteld, het is wel nodig want in enige uren telt men 38 V-1′s; dezelfde namiddag wordt kinema Rex te Antwerpen dodelijk getroffen (567 slachtoffers). In de kelders wordt slaapgelegenheid ingericht. Er staan vijf a zes bedden per compartiment, wat het stilzwijgen wel niet bevordert. Het blijft een sensatie met kaarsepan of oliepitje tussen de beschotten door te zigzaggen. Om beurt logeren Engelsen en Amerikanen in de speelzaal; wapens, munitie en voorraden liggen voor het grijpen. Bij helder vriesweer zijn ver in het noorden de condensstrepen van de startende V-2′s zichtbaar. Steeds meer batterijen worden opgesteld. Soms is de leraar gewoon niet te verstaan door het oorverdovend spervuur, dat zo mogelijk nog wordt overstemd door het gejuich, als een van die moordtuigen in de lucht ontploft. Het regent schrapnels.

 

Na meer dan vijf maand onderbreking is er weer elektriciteit, maar het aantal vliegende bommen stijgt onrustwekkend. In de nacht van 22 op 23 februari 1945 telt men er 118, de meeste worden neergehaald. ‘s Anderendaags rond half tien zitten de jongens in de refter te zweten op het Grieks proefwerk, wanneer plots een aangeschoten V-1 stilvalt boven het gebouw en 200 m verder in de paterstuin met een geweldige klap openspat. De pas vernieuwde ruiten worden weggeblazen, inktpotten vliegen de lucht in, pleister ploft neer, deuren kraken uit hun voegen, een twintig leerlingen zijn licht gekwetst door glasscherven. Amerikanen komen aanrijden voor de eerste hulp. Tot groot jolijt van de grieksonkundigen mag het proefwerk de kachel in.

De groote prachthoeve

De groote prachthoeve

Intussen hopen we dat je hebt kunnen genieten van de gezonde lucht, het Kempense landschap, de stilte, de zon, de unieke sfeer, zodat je prettige herinneringen meedraagt aan je verblijf of bezoek aan de Rommeshoef